reisflarden

Hoog bezoek in Oeganda.

Ik zwaaide mijn reisgenoten uit en bleef alleen achter in het hotel in Gulu, Noord-Oeganda, rebellengebied. Eenmaal uit zicht, sloeg het besef in als een donderslag: ik bleef alleen achter in Gulu, Noord-Oeganda, rebellengebied!!! Zonder de drie bodyguards die ik een half jaar eerder wel om me heen had. Maar toen was ik ook niet alleen geweest.
Met een knoop in mijn maag droop ik af naar mijn kamer en ging wezenloos op bed zitten. De consequenties drongen steeds indringender tot me door. Een toenemende paniek verspreidde zich door mijn lichaam. Er was nog maar een ding dat ik kon doen, besloot ik. Ik stond op, trok mijn kleren recht en toog naar de receptie om een pakje sigaretten te kopen. Ik was allang geleden gestopt maar roken is een van die gewoontes die een mens moeiteloos weer opneemt. Het is net als fietsen, je verleert het nooit. Met een sigaret zou alles vast wel weer in orde komen. Verrassend genoeg was dat ook het geval.
Want daar zat hij, de woordvoerder van het regeringsleger, Paddy Ankunda, alias mister arrogantie. Ik kende hem van mijn vorige Oeganda-reis en we hadden geen klik gehad. Hij keek me aan en moet de tranen in mijn ogen hebben zien blinken, uitbundig prikkend om de biggelgang over mijn wang aan te kunnen vatten. Daar en dan besloot hij zich over mij te ontfermen, het domme, onbeholpen wichtje, moederziel alleen. Maar ik liet me de hulp dankbaar welgevallen.
De volgende avond zou ik de drie soldaten aan de ingang van het hotel opmerken. Bewapend, dat merkte ik toen ik per ongeluk op de pistoolgreep van een van hun geweren trapte.  ‘Als bescherming’, zou hij me vertellen. Voor mij? Geen flauw idee, maar ik was blij dat ze vanaf dat moment elke nacht trouw de wacht hielden. Daarbovenop kwam mijn redder in nood iedere avond controleren hoe het met me ging, ook al wist ik me algauw prima alleen te behelpen.
De dagen bracht ik door in Gusco, het opvangcentrum voor ex-kindsoldaten. Ik luisterde naar hun schrijnende verhalen en tekende ze op. Ik bleef ijzig kalm onder de gruwelen die de jongeren me vertelden, het opbiechten van de moorden die ze hadden moeten plegen, de folteringen die ze zelf hadden ondergaan. Dat ik toen nog geen moeder was zal zeker aan de grondslag gelegen hebben van de koelbloedigheid waarmee ik de verhalen beluisterde en de vragen stelde. ‘Heb je die persoon doodgeslagen, doodgeschoten of in stukken gehakt?’ Het was onwerkelijk. Ik probeerde zoveel mogelijk gesprekken op een dag te voeren maar tegen een uur of zes s’ avonds was ik meestal op. Met spijt liet ik telkens een groep geduldige meisjes en jongens die daar al de hele dag op hun beurt zaten te wachten, achter. Ik wist dat ze de volgende morgen weer van de partij zouden zijn, net als ik.
De avonden bleef ik doorgaans in het hotel. Druk was het er niet. Daardoor werden er in een mum van tijd vriendschapsbanden gesmeed onder de gasten die er wel verbleven en het personeel. De sfeer was er ongedwongen, ondanks de gevechten die zich dan hier, dan daar in Noord-Oeganda afspeelden.
Al gauw kreeg ik het gevoel dat iedereen aardig zijn best deed om een cocon van gevoelsmatige veiligheid om me heen  te creëren. Als ik vroeg naar de knallen die buiten de hotelmuren weerklonken en duidelijk afkomstig waren van een wapen, werd dat afgedaan als een oninteressant akkefietje waarvan niemand leek te weten wat zich had voorgedaan. De operatie van het leger die gaande was in de bush werd mij verkocht als een betekenisloze oefening. Maar ik had de tanks gezien toen ik in het centrum was om fotokopieën te nemen: zwaar bestoft, afgeladen vol met verkreukelde soldaten die op de randen zaten van de gepantserde vehikels. Wit blinkende tanden in een donkerbruin gelaat hadden plots mijn aandacht getrokken. Een glimlach van oor tot oor, een hand die werd opgestoken. Mijn hart had een sprongetje gemaakt van blijdschap. Ik kende die soldaat. Het was een van mijn voormalige lijfwachten. Meer dan een uitgelaten blijk van herkenning was echter onmogelijk, de tanks waren even snel gepasseerd als ze waren opgedoken. Vragen in me oproepend die nooit adequaat beantwoord zouden worden.
De dagen kabbelden op identieke wijze verder totdat de rust in het hotel indringend verstoord werd. Lome gemoedelijkheid maakte ijlings plaats voor bedrijvige levendigheid. Plichtsgetrouwheid verving de eerdere speelse ongedwongenheid. Met de komst van de nieuwe gasten veranderde de sfeer zienderogen. Salim Saleh, de broer van de president, en zijn uitgebreide gevolg waren neergestreken in Acholi Inn. Op het terrein wemelde het plots van de zwaar bewapende militairen.
En vanaf die dag was ik niet langer de enige vrouwelijk gaste. Sonya, secretaresse van Salim Saleh, kwam me bijstaan; we konden het vanaf het eerste moment prima met elkaar vinden. Voor Sonya was het een verademing, gefrustreerd vertelde ze me hoe ze door het mannelijke, militaire kaliber dat haar dag in dag uit omringde, niet au sérieux genomen werd.
Met de chairman van het Gulu district kwam een tweede hoog heerschappij ons vervoegen. Een dik, rond, lelijk mannetje met een harde stem die eiste om beluisterd te worden.
‘En vanavond gaan we allemaal uit,’ declareerde de chairman in de vroege avond aan het hem omringende gezelschap dat stuk voor stuk instemmend knikte. Het was me al eerder opgevallen dat zijn entourage enkel bestond uit mannen en vrouwen die bogen als hij knipte, lachte als hij een grap vertelde en beaamde als hij een statement maakte. Hij riep weerstand in me op en ik wilde zelfs bij benadering niet weten welke misdaden hij op zijn kerfstok had in het nabije woelige verleden en misschien ook wel heden van Oeganda. Mijn geërgerde zucht trok zijn aandacht. ‘Jij gaat toch mee, Renate?’ sprak hij me rechtstreeks aan. ‘Dat weet ik nog niet hoor, ik ben eigenlijk nogal moe,’ reageerde ik afwijzend. Ik was de vorige avond met Paddy en enkele mensen van het hotel naar een concert geweest. Een knallend lachsalvo doorkliefde de lucht. Geweldig vond hij het als ik hem tegensprak. Dat deed namelijk niemand anders. ‘Natuurlijk ga je mee, je moet!’ beval hij schuddebuikend van het lachen. ‘We gaan allemaal.’ De chairman vond de enige blanke in de wijde omtrek hooglijk amusant.
Het feit dat Sonya en Paddy eveneens van de partij zouden zijn, deed me overstag gaan. Tenslotte had ik de afgelopen tijd keihard gewerkt en een verzetje zou me vast wel gegund zijn.
Onze uitgebreide groep nam plaats in een hoek van de discotheek, afgeschermd door een rij militairen.
‘Waar was jij ineens?’ zou ik Paddy de volgende avond vragen. Kort na aankomst in de discotheek was hij verdwenen om niet meer op het appel te verschijnen. ‘Salim Saleh was duidelijk geïnteresseerd in jou, dus deed ik een stap opzij, tenslotte is hij mijn baas.’
Lange haren, slank, jong en een Sneeuwwitjeshuid bombardeerden me blijkbaar tot de exotische natte droom van menigeen donkergetinte Oegandees. En Salim Saleh, een boom van een kerel, die hoog boven me uit torende, was er een van. Het zorgde er in elk geval voor dat ook de chairman zijn versierpogingen al snel staakte. Gelukkig wist ik dankzij de afleidingmanoeuvres van Salems bloedmooie dochter op beleefd handige wijze aan hem te ontkomen.
Zonder chaperon rondlopen in de discotheek was een minder geslaagde optie. De witheid van mijn gezicht had een nagenoeg fluoriserend effect op al het donker dat me omgaf. Men reageerde op me als muggen op een felle lamp. Ik had geen andere keuze dan onder de vleugels van de chairman van het Gulu district en de broer van de president van Oeganda te blijven. Het was een aparte avond. Met een gehalte van een dergelijke absurditeit dat ik er nooit met iemand over sprak.    .

Avonturen in het buitenland, die ik even kwijt wilde.

Volledig aan het brein ontsproten, pure fantasie.

spinsels

Avonturen in binnenland (België

en Nederland) in blogvorm.

fictie
reisflarden