reisflarden

Marokkaanse verrassingen. 

​Marokko in augustus was heet. Dat maakten de milkshakes die een kleine zaak in het stadscentrum van Tafraoute aanbood extra aanlokkelijk. Fruit uit een schil, gepasteuriseerde melk, men wist precies wat de gemiddelde platgehygiëniseerde westerling nodig had. Verfrissend gleed de vloeistof langs mijn tintelende smaakpapillen door mijn slokdarm naar een feestje in mijn maag. Het bleek niet minder dan een godendrank. Met een verzaligd gevoel zette ik het lege glas voor me neer op tafel. Even overwoog ik om een tweede te bestellen maar besloot het niet te doen. Spilzucht, noch overdaad komen immers voor in de bijbel van de rechtgeaarde lowbudget-reiziger.
Hoewel de bijbel tijdens deze reis niet tot op de letter werd nageleefd. Al snel merkten de reisgenoot en ik dat zelfs het lowe budget dat we onszelf hadden toegekend voor deze trip van een maand, nog een overschatting bleek van het goedkoper dan goedkope Marokko. Daarom beslisten we het uitgespaarde geld al vooraf te investeren in pure luxe. De derde week moest het openbaar vervoer het zonder ons stellen, want wij tuften, volledig tegen de rugzakmentaliteit in, rond in een Fiat, model onverwoestbare miniatuur. De multifunctionele bruikbaarheid van het vehicle zou naar alle waarschijnlijkheid zelfs de verwachtingen overstijgen van de verhuurder, mocht hij op de hoogte geweest zijn van de avonturen die we tegemoet gingen. Zonder tegensputteren ontpopte het blik zich tot langeafstand-, kampeer- én terreinwagen.  Hoewel de laatste twee inzetfeiten mij, als enige chauffeur, nauwelijks konden bekoren.
‘Hier is een mooi plaatsje voor jullie en jullie Fiat,’ wees in Tiznit de vriendelijke campingbewaarder ons de weg. ‘Waar is jullie tent?’ ‘Die hebben we niet,’ antwoordde ik enigszins beschaamd, dit kampeeridee was niet het mijne. ‘O, waar zijn jullie matrasjes dan?’ ‘Die hebben we ook niet,' mompelde ik. Vanuit mijn ooghoek zag ik mijn reisgenoot verheugd om zich heen kijken. ‘Kussens, verlichting, ….?’ Ik schudde wederom mijn hoofd. ‘Maar jullie komen toch kamperen?’ vroeg de man, zich verbaasd in het haar krabbend. ‘Ja, dat klopt,’ zuchtte ik terwijl ik de reisgenoot verwijtend aankeek, ‘we hebben een slaapzak.’ Hoofdschuddend wees de man ons een nieuwe plek aan, onder een afdak. Hij was zelfs zo lief om een lampje te brengen. Het werd een helse nacht op de stenen vloer, dat moest zelfs de reisgenoot de volgende morgen geradbraakt erkennen.
Ook in de woestijn bracht de Fiat het er prima vanaf. Hobbelend, stof opwaaiend, grip verliezend in het zand realiseerde ik me nog meer welk risico aan deze uitstap was verbonden. Wie zou ons hier komen zoeken, een chauffeuse met een in een safaritocht trek hebbende reisgenoot, als ons stadswagentje er de brui aan zou geven? Niemand! Want dat was ook exact degene die ons zou missen.
We slaagden erin om Tafraoute veilig en wel te bereiken. Het was de voorlaatste dag met de Fiat. De volgende dag moesten we hem weer inleveren, 155 km verder in Inezgane, een voorstadje van Agadir.
De ochtend na de heerlijkste milkshake ter wereld ooit, ontwaakte ik met een licht misselijk gevoel in mijn nog nafeestende maag. Een gevoel dat gestadig aan sterkte toenam waardoor Fiat op zijn laatste tocht onder mijn auspiciën werd getransformeerd tot ziekenwagen. Stoppen onderweg was uitgesloten, de bestemming bereiken het enige doel, een met mission impossible-allure.
Inmiddels trillend, parkeerde ik de auto voor het hotelletje waar we eerder al eens een nacht hadden doorgebracht. Eenvoudig, proper, niet door toeristen gefrequenteerd maar van een sfeervolle drukte in Marokkaanse stijl. Het inchecken duurde naar mijn gevoel lang. De trappenweg omhoog naar de vijfde verdieping nog langer. Ik zeeg neer op bed en kwam er de komende dagen enkel nog uit om naar het toilet te strompelen op de gang. Steun zoekend met mijn hand langs de muur, met zwarte vlekken en dansende sterren voor mijn ogen.
‘Oui, oui, ça va,’ reageerde ik telkens moeizaam op de bekommernis van de passanten op de gang. Goed beseffend dat heel mijn houding uitstraalde dat het allesbehalve goed met me ging. Mijn reisgenoot, ooit de liefde van mijn leven, raakte geïrriteerd van mijn overdreven flauwe gedrag. Tenslotte had hij zelf ook buikpijn, legde hij me uit, maar dat weerhield hém er niet van om flink te zijn. Dus als ik thee wilde, kon ik op zijn minst mee naar beneden gaan. Zijn bezorgdheid om mij beperkte zich tot regelmatige aanmaningen om te drinken. Dat wilde ik wel. Helaas had ik niet de kracht om naar het flesje op het nachtkastje te reiken. Laat staan om de dop van de fles te draaien. En nog minder om rechtop te gaan zitten om te kunnen drinken. Dus dronk ik niet. De tijd bracht ik veelal slapend door. En dat vond ik best. Dan voelde ik de folterende pijn in mijn buik tenminste even niet. Zelfs hier moeten sterven vond ik goed. Het enige waar ik naar verlangde was een bed. En dat had ik!
Mijn frequente toiletgang, elke keer na ontwaken, werd hoe langer hoe meer een pijnlijke, bloederige affaire. Maar het dieptepunt deed zich voor toen ik wakker schrok van de sleutel in het slot. De reisgenoot had de kamer verlaten. De steken in mijn buik duldden geen uitstel. Het enige dat ik tot mijn beschikking vond, was de prullenbak. Tot zover mijn waardigheid, ik huilde bittere tranen.
De volgende dag kondigde een klop op de deur de komst van de meneer van het autoverhuurbedrijf aan. Hij had besloten de auto pas die dag weer op te halen. De service was met andere woorden niet alleen impeccable maar eveneens zonder tijdsdruk. Zijn begroetende glimlach ruimde onmiddellijk baan voor ongerustheid. Of het wel goed met me ging want ik zag er behoorlijk slecht uit. Mijn bevestiging bleek weinig geloofwaardig. Hij zou de volgende dag terugkeren voor de verdere afwikkeling en me naar de dokter brengen mocht ik me niet beter voelen. 
En zo geschiedde. In de Fiat reden we naar het ziekenhuis in Agadir, ditmaal mocht ik mee als passagier.   
‘Waarom sta jij niet rechtop?’ snauwde de verpleegster me toe bij het inschrijven. Een snauw die eerder ingegeven werd door bezorgdheid dan door onvriendelijkheid. Even daarvoor had ik geweigerd om, in afwachting van de komst van de dokter, te gaan liggen. ‘Parce que j’ai mal’, kreunde ik, voorovergebogen met mijn hand op mijn buik. ‘Nu is het genoeg geweest’, sprak ze ferm, ‘naar bed jij.’
Het doktersrapport verklaarde de oorzaak voor de koorts, hypokaliëmie, uitdroging, diarree en het overgeven. La copro parasitologie des selles ont révélés l’existence de nombreuses entamoeba hystolitica forme hystolitica et kystique.
Mijn reisgenoot verbleef in dezelfde kamer als mij, hij had aangegeven ook ziek te zijn, maar kreeg al gauw de bijnaam ‘de toerist’.
Na vier dagen hield ik het voor bekeken. ‘Ik ben klaar om te vertrekken,’ liet ik de verpleegster weten. Ze keek me ongelovig aan. ‘Ben je daar wel zeker van?’ Vroeg ze me, maar voor ze haar zin kon afmaken had ik al overgegeven op de vloer. ‘Haha’, lachte ik vriendelijk beschaamd, ‘dat was maar een ongelukje. Ik voel me echt beter, hoor.’ Ook al had het ziekenhuispersoneel er zijn twijfels over, er was geen houden aan. En zo werd ik ontslagen.
Na het systematisch innemen van zes Immodiums de dag nadien (in de angstige hoop de lange busrit naar Safi diarreeloos te overleven) bracht ik de resterende vakantiedagen door in constipatie.

Avonturen in het buitenland, die ik even kwijt wilde.

Volledig aan het brein ontsproten, pure fantasie.

spinsels

Avonturen in binnenland (België

en Nederland) in blogvorm.

fictie
reisflarden